Over het algemeen ben ik een gelukkig mens. Maar enkele zaken staan in de binnenkant van m’n schedel gegraveerd. Zoals die druilerige ochtend toen ik in het donker over een modderige bouwstraat reed. Geen straatverlichting in de nieuwe wijk in aanbouw waar je dwars door heen reed om bij een nieuw tuinbouwgebied te komen.

Ik moest remmen voor een stilstaande vrachtwagen met bouwmaterialen. Er stonden enkele mensen naast. Aan hun houding zag ik dat er iets niet goed was. Snel uit de auto om te kijken wat er aan de hand was. Bleek dat de vrachtauto achteruit over het been van een schoolfietsertje gereden was. Of wat daar nog van over was. Het jongetje was nog bij kennis. Gevraagd hoe hij heette. En waar hij woonde.

Hoe ik het onverstaanbare adres in een niet verlichte wijk in aanbouw zonder straatnaambordjes zo gauw gevonden heb, weet ik niet meer. Maar even later was ik terug met zijn vader. “Papa, ga ik nu dood?” hoorde ik hem vragen. Dat vergeet ik nooit meer.

En daarom heb ik me voorgenomen om, bij wat ik ook moet doen, de verkeersveiligheid van schoolfietsers boven andere belangen te stellen. Als professional, als burger, als vader van zeven kinderen en van pleegkinderen.

Ook als dat betekent dat uw voortuin wat kleiner wordt. En zelfs als dat betekent dat er geen plaats meer is voor tweerichtingsverkeer of voor bomen langs de weg. Het spijt me.